Relatieve deprivatietheorie

Relatieve deprivatietheorie - toolshero

In dit artikel wordt de relatieve deprivatietheorie praktisch uitgelegd. Na het lezen begrijp je de basis van deze krachtige sociale psychologie theorie.

Wat is de relatieve deprivatietheorie?

Relatieve deprivatietheorie (Relative Deprivation Theory (RDT)) is een theorie die de subjectieve ontevredenheid die wordt veroorzaakt door de relatieve positie van een persoon ten opzichte van de situatie of positie van een ander verklaart. Voor veel mensen betekent relatieve deprivatie het gebrek aan middelen of tijd om bepaalde levensstijlen, activiteiten en voorzieningen te ondersteunen waaraan een persoon of groep gewend is geraakt. De druk van de samenleving waartoe mensen behoren moedigt hen aan om mee te doen. Wanneer dit niet kan begint een persoon zijn of haar eigen positie voortdurend te vergelijken met de situatie of positie van een ander.

Uit de definitie van relatieve deprivatie hierboven kunnen twee gelijkaardige termen worden gehaald: armoede en sociale uitsluiting. De term wordt in de sociale wetenschappen gebruikt om gevoelens of vormen van economische, sociale of politieke deprivatie uit te drukken. Relatieve deprivatie heeft een sterke invloed op zowel gedrag als houdingen. Hieronder vallen ook ervaren levels van stress en politieke standpunten. Het fenomeen van relatieve deprivatie wordt ook in verband gebracht met het biologische concept van relatieve geschiktheid. Dit gaat over het gegeven dat wanneer een organisme met succes zijn natuurlijke concurrenten verslaat, hier meer nakomelingen uit voortkomen.

Relatieve deprivatie wordt dikwijls aangehaald als de reden voor het ontstaan van sociale bewegingen, die in extreme gevallen tot politiek leiden, zoals terrorisme, rellen, burgeroorlogen en andere gevallen van sociale afwijkingen. Het tegenovergestelde van relatieve deprivatie is relatieve bevrediging.

Waarom is deprivatie relatief?

De ontevreden gevoelens die mensen krijgen bij het vergelijken van hun positie met een ander zijn relatief omdat het voortkomt uit een vergelijking met normen die niet absoluut zijn en meestal verschillen van tijd en plaats. Dit gegeven onderscheidt relatieve deprivatie van absolute deprivatie, ook bekend als absolute armoede. De conclusie die hieruit opgemaakt kan worden is: objectieve deprivatie zal in de loop van de tijd veranderen wereldwijd, terwijl relatieve deprivatie dat niet zal doen. Zolang er sociale ongelijkheid bestaat, zijn sommige mensen beter af dan anderen.

Een voorbeeld om dit duidelijk te maken: begin vorige eeuw waren auto’s een luxe goed. De meeste mensen leefden niet in luxe, en dus voelde weinig mensen zich achtergesteld wanneer zij geen auto konden veroorloven. Tegenwoordig is het hebben van een mobiele telefoon heel normaal en heel veel mensen vinden dat zij het verdienen om er een te bezitten. Toch heeft niet iedereen de middelen om een smartphone te kopen.

Voorwaarden voor relatieve deprivatie

In de relatieve deprivatietheorie van Garry Runciman worden vier voorwaarden onderscheiden voor relatieve deprivatie. In de voorwaarden gaat het over object X in relatie met Persoon A.

  1. Persoon A heeft geen X
  2. Persoon A kent wel andere mensen die X hebben
  3. Persoon A wil graag X bezitten
  4. Persoon A gelooft dat het realistisch is om bezit te krijgen over X

Sociale bewegingen als resultaat van relatieve deprivatie

Er worden twee sociologen in verband gebracht met het ontstaan van de relatieve deprivatietheorie.

Relatieve deprivatie volgens Garry Runciman

De eerst is Garry Runciman, geboren in 1934. Hij maakte onderscheid tussen broederlijke en egoïstische deprivatie. Een voorbeeld van broederlijke deprivatie is een grote sociale beweging, zoals de American Civil Rights Movement in de jaren zestig van de vorige eeuw, als gevolg van rassendiscriminatie. Een ander voorbeeld van broederlijke deprivatie is de afgunst die mensen uit de middenklasse voelen wanneer zij op TV mensen zien die worden geportretteerd als middenklasse terwijl zij in dure auto’s rijden en exclusieve horloges dragen. Broederlijke deprivatie is ook gelinkt aan stemgedrag. Het gaat dan met name om stemgedrag voor extreemrechtse politieke stromingen.

De tweede vorm van relatieve deprivatie is egoïstische deprivatie. Dit wordt volgens Gary Runciman in de eerste plaats veroorzaakt door de ongunstige sociale positie van een individu in vergelijking met die van een ander. Een voorbeeld van egoïstische relatieve deprivatie is een werknemer die vindt dat hij eerder die promotie had moeten maken. Relatieve deprivatie kan er dan voor zorgen dat deze werknemer actie gaat ondernemen om zijn eigen positie ten opzichte van zijn collega’s te verbeteren. Veel van deze acties dragen echter vrijwel nooit iets bij aan de positie van de werknemer.

Relatieve deprivatie volgens Ted Gurr

De tweede persoon die als een van de eersten onderzoek heeft gedaan naar relatieve deprivatie is Ted Gurr. Ted Robert Gurr was van mening dat indien er een obstakel wordt gecreëerd voor de manier waarop mensen hun eisen en doelen halen, zij onderworpen worden aan relatieve deprivatie. De natuurlijke reactie hierop is om de bron van de barrière te beschadigen. Ted Gurr legt de link tussen relatieve deprivatie en politiek geweld uit in zijn boek Why Men Rebel.

In het boek komt aan bod waarom mensen politiek geweld plegen en hoe regimes reageren op geweld. Ondanks dat het boek lang voor deze tijd geschreven is, heeft het veel betrekking op wat er in de 21e eeuw gebeurd.

Gurr onderzoekt in het boek of de primaire bron van het menselijk vermogen tot geweld het frustratie-agressiemechanisme is, zoals de frustratie-agressietheorie stelt. Volgens Gurr leidt frustratie lang niet altijd tot geweld, maar indien iemand of een groep langdurig aan frustratie blootgesteld wordt, leidt het dikwijls tot woede en uiteindelijk tot geweld.

Kritiek op de relatieve deprivatietheorie

Critici van de relatieve deprivatietheorie geven aan dat de theorie niet verklaart waarom sommige mensen, die niet de rechten of middelen hebben, niet deelnemen aan sociale bewegingen om die rechten of middelen te bereiken. Tijdens de Civil Rights Movement deden bijvoorbeeld niet alle Afro-Amerikanen mee. Voorstanders van de relatieve deprivatietheorie stellen echter dat deze mensen simpelweg de conflicten en moeilijkheden wilden vermijden die zouden kunnen optreden wanneer zij besloten om zich aan te sluiten bij de beweging.

Daarnaast beschrijft de relatieve deprivatietheorie geen situaties met mensen die deelnemen aan bewegingen die hen niet direct zelf ten goede komen. Voorbeelden hiervan zijn dierenrechtenactivisten en heteromensen die naast LGBTQ+ activisten marcheren tijdens acties of rijke mensen die demonstreren tegen beleid dat armoede in de hand werkt. In dit soort omstandigheden wordt aangenomen dat deelnemers meer uit gevoelens van sympathie handelen dan uit gevoelens van relatieve deprivatie.

Relatieve deprivatie en criminologie

Het gebruik van relatieve deprivatie door theoretici zoals John Braithwaite in de criminologie begon eind jaren tachtig. In de naoorlogse periode nam de criminaliteit in de meeste industriële samenlevingen toe, ondanks de stijging van de levensstandaard. Absolute deprivatie nam in deze periode dus af, maar de vergelijking van hoe meer armoede, hoe meer misdaad, was duidelijk niet waar.

Relatieve deprivatie doet zich met name voor wanneer groepen of personen zichzelf subjectief beschouwen als oneerlijk benadeeld ten opzichte van andere mensen. Het is verschillend van absolute deprivatie, waar welvaartsniveaus worden vergeleken op basis van objectieve verschillen. De onvrede die voortkomt uit relatieve deprivatie wordt gebruikt om radicale politiek te verklaren, evenals het ontstaan van messiaanse religies, de opkomst van sociale bewegingen en een overvloed aan misdaden.

Over het algemeen wordt aangenomen dat religieuze acties of de groeiende vraag naar politieke verandering voortkomt uit relatieve deprivatie, en dat misdaad een individuele reactie is. Maar dit geldt niet voor misdrijven met een collectief karakter, zoals smokkel, stroperij en terrorisme.

De link tussen deprivatie en zelfmoordstatistieken

Uit een diepgaande studie in Schotland naar jongeren in achterstandswijken blijkt dat door absolute deprivatie jongeren veel meer kans hebben om zelfmoord te plegen dan jongeren in meer welvarende regio’s. Ook wees de studie uit dat de kloof tussen arme en rijke gebieden sinds de jaren tachtig aanzienlijk gegroeid is in het land. Zo is het zelfmoordcijfer onder jonge vrouwen in de meest achtergestelde gebieden van Schotland zes keer hoger dan de meest welvarende gebieden. Ook de hoeveelheid jonge mannen die zelfmoord pleegden nam in deze periode sterk toe.

De conclusie luidde dat er een groeiende sociale polarisatie van zelfmoord in achterstandsgebieden is. Een onderdeel van absolute deprivatie is de afwezigheid van kwalitatief goed en toegankelijk onderwijs. Onderzoekers concludeerden dat betere prestaties bij de intelligentietest verband hielden met een verminderd risico op het plegen van zelfmoord.

Samenvatting relatieve deprivatietheorie

De relatieve deprivatietheorie komt voort uit de sociologie en is ontwikkeld in de jaren dertig van de vorige eeuw. Zowel Garry Runciman als Ted Gurr worden gecrediteerd met het ontwikkelen van de theorie.

Relatieve deprivatie is een subjectieve ontevredenheid die veel mensen parten speelt. Deze ontevredenheid wordt veroorzaakt door de vergelijking tussen de situatie van een persoon en de situatie van een ander. Mensen die blootgesteld worden aan relatieve sociale deprivatie vinden dat zij verdienen om hetzelfde te hebben of krijgen als anderen. Door de druk die door de samenleving wordt opgelegd voelen zij zich niet gelijk wanneer zij dingen missen. Deze vergelijkingen zijn relatief omdat er vergeleken wordt met normen die niet absoluut zijn. Een voorbeeld om dit toe te lichten is de opkomst van personenauto’s voor consumenten. In het begin was de auto een luxegoed, weggelegd voor alleen de rijksten. Het grootste gedeelte van de mensen kon zich dit niet veroorloven, en dus voelden niet veel mensen zich achtergesteld. Tegenwoordig wordt van iedereen verwacht dat hij of zij een smartphone heeft, terwijl niet iedereen dit kan betalen. Dit is wanneer relatieve deprivatie optreedt.

Er zijn twee belangrijke termen gelinkt aan het fenomeen van relatieve deprivatie. Dit zijn armoede en sociale uitsluiting. Ook wordt het concept gelinkt aan relatieve geschiktheid. Dit is een begrip uit de biologie, en gaat om het gegeven dat succesvolle organismen die hun concurrenten verslaan meer kans hebben op een groter nageslacht. Relatieve deprivatie wordt vaak bestempeld als het ontstaan van sociale bewegingen, die soms zelfs leiden tot politiek geweld, terrorisme, verschillende sociale afwijkingen en zelfs burgeroorlogen.

Critici van de sociale deprivatietheorie stellen dat de theorie niet ingaat op de reden waarom sommige mensen deelnemen aan sociale bewegingen terwijl zij zichzelf niet achtergesteld voelen. Er wordt echter aangenomen dat deze groep deelnemers dit doet uit sympathie.

Sociologie en criminologie werden verbonden door onder anderen John Braithwaite in de jaren tachtig van de vorige eeuw. In de periode na de oorlog nam in de meeste samenlevingen de criminaliteit toe, terwijl de meeste sociologen er toen nog vanuit gingen dat criminaliteit zou verminderen als de welvaart toeneemt.

Nu is het jouw beurt

Wat denk jij? Herken jij de uitleg over de relatieve deprivatietheorie? Herken jij een of meerdere momenten in jouw leven waarop jij je ontevreden voelde door de situatie waarin je op dat moment was ten opzichte van anderen? Denk jij dat tegenwoordig meer of minder mensen dan vroeger te maken hebben met gevoelens van subjectie ontevredenheid? Is relatieve deprivatie volgens jou een gevaar voor de opkomst van extreem georiënteerde politieke stromingen? Heb jij tips of opmerkingen?

Deel jouw kennis en ervaring via het commentaar veld onderaan dit artikel.

Als je het artikel handig of praktisch vond voor jouw eigen kennis, deel dit vooral met jouw netwerk of meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief. Je kunt ons ook vinden op Facebook, LinkedIn, Twitter en Youtube.

Meer informatie

  1. Bernstein, M., & Crosby, F. (1980). An empirical examination of relative deprivation theory. Journal of Experimental Social Psychology, 16(5), 442-456.
  2. Crosby, F. (1976). A model of egoistical relative deprivation. Psychological review, 83(2), 85.
  3. Guimond, S., & Dubé-Simard, L. (1983). Relative deprivation theory and the Quebec nationalist movement: The cognition–emotion distinction and the personal–group deprivation issue. Journal of Personality and Social Psychology, 44(3), 526.
  4. Sweeney, P. D., McFarlin, D. B., & Inderrieden, E. J. (1990). Using relative deprivation theory to explain satisfaction with income and pay level: A multistudy examination. Academy of Management Journal, 33(2), 423-436.

Citatie voor dit artikel:
Janse, B. (2020). Relatieve deprivatietheorie. Retrieved [insert date] from toolshero: https://www.toolshero.nl/sociologie/relatieve-deprivatietheorie/

Wilt u linken naar dit artikel, dat kan!
<a href=”https://www.toolshero.nl/sociologie/relatieve-deprivatietheorie/”>toolshero: Relatieve deprivatietheorie</a>

Interessant artikel?

Geef je waardering of deel het artikel via social media!

Gemiddelde beoordeling 4 / 5. Totaal aantal beoordelingen: 1

Dit artikel is nog niet beoordeeld! Wees de eerste met jouw beoordeling.

We vinden het jammer dat het artikel niet waardevol voor je was

Laat ons dit artikel verbeteren!

Vertel ons wat er beter kan aan het artikel? Wat mis je bijvoooebeeld of wat kan worden aangevuld?

Word lid en ontvang onbeperkt toegang

Door lid te worden van ons learning platform, krijg je onbeperkt toegang tot alle artikelen (1000+), templates, video's en meer!

Tagged:

Geef een reactie